Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0157

Datum uitspraak2006-09-29
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5140 WAO, 04/5141 WAO en 04/5142 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Korting op WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid.


Uitspraak

04/5140 WAO, 04/5141 WAO en 04/5142 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2004, 03/193, 03/194 en 03/195 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 september 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. S. van Andel, advocaat te Amsterdam, die zich later als gemachtigde heeft onttrokken. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Appellant is in persoon verschenen in gezelschap van de door hem als getuige aangemelde [betrokkene 2]. Voor het Uwv is verschenen R. Zaagsma. II. OVERWEGINGEN Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende. Aan appellant, geboren op 12 oktober 1935, is in september 1970 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, toen en laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Bij een door hem op 24 november 1999 gedag- en ondertekend inlichtingenformulier heeft appellant met nee beantwoord de vraag of hij werkzaam is. De vraag of hij naast zijn WAO-uitkering nog een ander(e) inkomen/uitkering ontvangt, is door appellant onder het plaatsen van een vraagteken in het voor ja bestemde vakje beantwoord met: “is nog niet bevestigd, in de toekomst misschien op % basis als surveyor aan boord van schepen i.v.m. schadeclaims”. In het kader van een fraude-onderzoek vanwege het Uwv heeft appellant verklaard dat hij in 1999 heeft geïnvesteerd in een in de haven van Lissabon, Portugal, gelegen schip (dat was verbouwd tot disco-/partyschip en eigendom was van ene O.A. [betrokkene]) met de bedoeling om als enig direrecteur van [naam BV]. ([appellant], met [BV 2], als enig aandeelhouder) dat schip in Spanje te gaan exploiteren. Bij het als kapitein met hulp van twee anderen overvaren naar elders is op zee brand aan boord van dat schip uitgebroken en is dat schip een (andere) Portugese haven binnengesleept. De sleep- en andere kosten zijn volgens appellant niet door [betrokkene] betaald. Het door de verzekeraar aan appellant uitgekeerde bedrag is door appellant, volgens zijn zeggen, besteed aan uitgaven voor het schip. In maart 2000 is appellant een (door hem verloren) procedure gestart om te komen tot het faillissement van [betrokkene]. Daarbij heeft appellant onkostennota’s ingebracht waarop hij bedragen aan (nimmer ontvangen) loon over een drietal tussen 3 september 1999 en 10 februari 2000 gelegen perioden heeft opgevoerd in een poging het door hem voorgeschoten geld terug te krijgen. Er was dan ook geen sprake van werk, doch van investeren, aldus tot slot appellant. Het Uwv heeft wat de hiervoor bedoelde drie perioden betreft aangenomen dat er sprake is van het verrichten van loonvormende freelance arbeid, gelijk te stellen met inkomen uit arbeid als zelfstandige, en - zo anders - van arbeid in de hoedanigheid van directeur/enig grootaandeelhouder van [appellant] met de beschikking over gelden ter uitvoering van de bedrijfsactiviteiten welke ook hadden kunnen worden aangewend ter voldoening van appellants loonvordering op de eigenaar van het schip. Voor appellants rekening en risico komt volgens het Uwv dat er geen volledig en inzichtelijk overzicht van de gemaakte kosten en uitgaven is geleverd, zodat is uitgegaan van de door appellant in die onkostennota’s als loon opgevoerde bedragen. Bij besluit van 14 juli 2000 is met handhaving van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer en onder toepassing van met name (het kortings-)artikel 44 van de WAO geweigerd de WAO-uitkering uit te betalen over een drietal tussen 3 september 1999 en 10 februari 2000 gelegen perioden wegens het ontbreken van verlies aan verdiencapaciteit gedurende die perioden. Bij besluit van 3 december 2002 is appellants bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Bij besluit van eveneens 14 juli 2000 is van appellant als aan hem onverschuldigd teveel uitbetaalde WAO-uitkering over die drie perioden in totaal f 13.132,67 bruto inclusief overhevelingstoeslag teruggevorderd. Een dringende reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van de terugvordering is niet aanwezig geacht. Bij besluit van 4 december 2002 is appellants bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Bij besluit van 17 juli 2000 is aan appellant wegens schending van de mededelingsplicht wat die drie perioden betreft een aan de omvang van het onverschuldigd betaalde bedrag gerelateerde boete van f 1.800,-- opgelegd. Een dringende reden om af te zien van het opleggen van de boete is niet aanwezig geacht. Bij besluit van 5 december 2002 is appellants bezwaar tegen dat besluit in verband met het per 1 februari 2001 van kracht geworden nieuwe Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) in zoverre gegrond verklaard dat het bedrag van de boete nader is gesteld op 10% van het benadelingsbedrag en (naar boven) afgerond op een veelvoud van f 25,--, dus f 1.325,--. Bij de aangevallen uitspraak zijn appellants beroepen tegen de drie evenvermelde besluiten op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. De werkzaamheden die appellant als enig dire[appellant]an [naam BV]. ([appellant]) heeft verricht (het verzekeren van het schip, het onderhandelen met de havenautoriteiten in twee havenplaatsen, het vaarklaar maken van het schip, het werven van personeel en het als kapitein overvaren van het schip) dienen te worden aangemerkt als arbeid van economische betekenis met een aantoonbare loonwaarde die het normale vermogensbeheer te buiten gaat, en die door appellant aan het Uwv hadden moeten worden gemeld. Aangezien appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft met betrekking tot de omvang en inhoud van zijn werkzaamheden, is aanvaardbaar dat het Uwv een schatting van het aantal gewerkte uren maakt. De gevolgen van de arbitraire vaststelling van die uren en de daaraan verbonden verdiensten vallen geheel binnen appellants risicosfeer. Appellant, die substantiële betalingen heeft ontvangen en de facto over die bedragen heeft kunnen beschikken, heeft geen dan wel onvoldoende inzicht in de gemaakte, zijns inziens hogere kosten en uitgaven gegeven. Ook de gevolgen daarvan vallen binnen appellants risicosfeer. Acceptabel is dat het Uwv appellants inkomen schattenderwijs heeft bepaald, daar appellant - hoewel dat op zijn weg had gelegen - verder geen concrete gegevens heeft geproduceerd. Die inkomsten zijn door het Uwv niet overschat door die te stellen op het door appellant op de nota’s aan [betrokkene] vermelde loonbedragen. Niet van doorslaggevend belang is of dat bedrag daadwerkelijk aan appellant is uitbetaald. [appellant] heeft betalingen ontvangen en appellant was bij machte om die gelden deels aan te wenden voor betaling van een vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden, aldus tot slot de rechtbank. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de door hem verrichte activiteiten ten onrechte alle als werkzaamheden zijn gekwalificeerd en dat, voorzover al sprake is geweest van loonvormende arbeid en aannemelijk is dat daarmee inkomsten zijn verworven, het Uwv de (fictieve) inkomsten òf had moeten bepalen op de door appellant in de fictieve, in het kader van de faillissementsaanvraag opgestelde nota’s vermelde bedragen minus de onkosten òf had moeten schatten naar een loonwaarde op basis van alleen die activiteiten die als loonvormende arbeid moeten worden beoordeeld, zulks met het daarop in mindering brengen van de gemaakte kosten. Wat de terugvordering en de boete betreft heeft appellant in hoger beroep niet afzonderlijk grieven ingebracht. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daartoe gehanteerde overwegingen welke hij tot de zijne maakt. De ter zitting van de Raad door [betrokkene 2] onder ede afgelegde verklaring heeft geen afbreuk gedaan aan de primaire en subsidiaire aannames van het Uwv. Dàt appellant de door de rechtbank beschreven werkzaamheden heeft verricht en de beschikking heeft gekregen over geld voor het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten staat niet ter discussie. Niet is in te zien dat het Uwv ten onrechte loonwaarde heeft toegekend aan de door appellant met betrekking tot het in een Portugese zeehaven gelegen schip ondernomen activiteiten en genomen beheersbeslissingen. Die - de grenzen van louter investeren (verre) te buiten gaande - activiteiten en beslissingen waren gericht op het genereren van geld, ook al zouden die activiteiten en beslissingen als gevolg van de omstandigheden op een gegeven moment meer als een poging tot behoud van de investering of tot redden wat daarvan nog te redden viel een schadebeperkend karakter zijn gaan krijgen. Hoe dan ook, een en ander heeft ertoe geleid dat hij de beschikking over substantiële bedragen aan geld heeft gekregen. Dat appellant - naar hij heeft gesteld - dat geld heeft gebruikt ter dekking van (andere) onkosten, is een keuze die voor zijn rekening en risico komt. Van afwenteling van de gevolgen van die keuze op het Uwv kan geen sprake zijn. Appellant heeft overigens, anders dan hij heeft gesteld, niet het nodige inzicht in de daadwerkelijke inkomsten en uitgaven in de desbetreffende perioden gegeven. Appellant heeft in hoger beroep ook aangevoerd dat het Uwv naar aanleiding van de hiervoor vermelde mededeling op het inlichtingenformulier over wat in de toekomst wellicht aan activiteiten zal worden ondernomen het een en ander had moeten onderzoeken, maar daarin kan de Raad appellant niet volgen, reeds omdat appellant op dat moment (24 november 1999) al ruim 64 jaar oud was en de WAO-uitkering hoe dan ook per 1 oktober 2000 in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zou worden beëindigd. Het bedrag van de bij het bestreden besluit op bezwaar nader nog in guldens (op een veelvoud van f 25,-- naar boven afgeronde) vastgestelde boete is in overeenstemming met (artikel 2 van) het ten tijde van het uitspreken van de thans te geven uitspraak geldende Boetebesluit. De Raad gaat ervan uit dat bij de afronding naar boven op een veelvoud van € 11,-- het bedrag in guldens niet te boven zal worden gegaan. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) P.H. Broier. BKH 290906